Als je Thailand op wilt delen dan heb je het noorden, het zuiden, het oosten en het centrale deel van het land. In dat centrale deel is het meest te doen. Het is stads. Bangkok ligt er en de historische steden Ayutthaya en Kanchanaburi.
Het noorden is berggebied en daar leven nog altijd veel minderheden. Het is ook het deel van Thailand met de meeste rijstvelden en jungle. Vroeger leefden in het regenwoud veel olifanten, nu minder. Maar je kunt rond Chiang Mai op meerdere plekken wel nog een olifantenopvang bezoeken. Chiang Mai en Chiang Rai zijn de grootste en belangrijkste steden van Noord-Thailand.

Het zuiden is het domein van de eilanden, de zee en het strand. Als je van stranden houdt, hoef je niet verder te kijken: Koh Tao, Koh Phi Phi, Phuket, Koh Samui, Krabi en Koh Phangan behoren tot de meest geliefde stranden van Thailand (en eigenlijk ook van de rest van de wereld).
Maar vergis je niet: er ligt ook het enorme nationale park van Khao Sok. Het is een van de oudste ‘evergreen’ regenwouden ter wereld. Het enorme Cheow Lan Meer wordt omgeven door groene jungle, grotten, kalkstenen rotsen en watervallen. Er leven hier wilde olifanten, gibbons, neushoornvogels, varanen, cobra’s, beren en men vermoedt zelfs nog tijgers.
Er gaan weinig toeristen naar het oosten dat aan Laos grenst. Dat is vooral omdat er weinig kenmerkende bezienswaardigheden zijn. Er is geen strand en er zijn geen bergen. De meest Thaise cultuur en de basis van die geweldige Thaise keuken vind je wel daar.